“Gecondoleerd” column van Sinan Can

Sinan Can schrijft elke week een column in de VARAgids.

De column uit editie 14-2026 over het woord ‘Gecondoleerd” en zijn beleving daarbij is hieronder terug te lezen.

Het is niet aan mij om woorden te schrappen uit onze taal. Woorden komen en gaan, ze slijten, verkleuren, verdwijnen soms geruisloos. Maar er is één woord dat ik zelf heb losgelaten. Een woord dat bij elke uitvaart als een stempel op de rouw wordt gedrukt. Kort. Zakelijk. Afgepast: ‘Gecondoleerd’.

Misschien ligt het aan mij, maar ik hoor er kou in. Afstand. Alsof je met één formele handdruk het verdriet hebt afgehandeld. Gecondoleerd met je verlies. Alsof verlies een pakketje is dat is bezorgd en waarvoor je tekent. Terwijl rouw geen administratie is. Rouw is een storm in iemands borstkas. Een lege stoel aan tafel. Een stem die niet meer klinkt, maar nog wel nagalmt in je hoofd. Het is wakker worden en heel even vergeten, tot het besef weer binnenvalt.

Ik weet dat mensen het goed bedoelen. Dat het woord ooit zorgvuldig is gekozen. Maar woorden doen ertoe. Ze dragen temperatuur. Ze hebben gewicht. En dit woord voelt voor mij als winter zonder jas. Er zijn zinnen die warmer zijn. Zachter landen. ‘Veel kracht en liefde gewenst.’ ‘Ik denk aan je.’ ‘Dat je gedragen mag worden door licht en mensen om je heen.’

In het Turks zeggen we: Başın sağ olsun. Letterlijk: moge je hoofd gezond blijven. Het klinkt vreemd als je het vertaalt, maar het betekent: blijf overeind onder wat je nu moet dragen. Er zit zorg in. Bescherming. Een hand die je hoofd even ondersteunt.

In het Engels zeggen ze soms: My heart goes out to you. Mijn hart gaat naar jou. Wat een zin. Alsof je iets van jezelf uit handen geeft om de ander mee te verwarmen.

In het Perzisch hoor je: Ba to hamdardam. Ik voel met je mee. Het woord hamdard betekent letterlijk: samen-pijn. Alsof verdriet iets is dat je niet alleen hoeft te dragen, maar iets dat gedeeld kan worden, al is het maar voor even.

Misschien is dat wat ik mis bij ‘gecondoleerd’ – het gebaar, de ziel, de omhelzing in het woord.

Taal is levend. Elk jaar voegen we nieuwe woorden toe aan de Van Dale. Woorden voor technologie, voor trends, voor alles wat sneller wordt. Maar misschien zouden we ook woorden moeten koesteren die vertragen. Woorden die niet afvinken, maar vasthouden. Want wat zeg je eigenlijk tegen iemand die net een moeder heeft verloren? Of een kind? Geen enkel woord is genoeg. Dat weten we allemaal. Maar juist daarom mogen woorden zacht zijn. Menselijk. Breekbaar. Misschien moeten we niet één nieuw woord bedenken.

Misschien moeten we simpelweg weer leren zinnen te maken. Geen formule, maar een ontmoeting. ‘Ik weet niet wat ik moet zeggen, maar ik ben er.’ Soms is dat genoeg. Woorden die niet afsluiten, maar openen. Een zin die even naast iemand gaat zitten, waar verdriet nog geen taal heeft gevonden.’